“Ik heb het gevoel dat het beste nog moet komen”
Een interview met een levende legende? Dan moeten we Luk De Koninck contacteren, opperde een redactielid. Tot je Luk De Koninck contacteert: “Ik een legende? Wat een flauwekul,” is zijn reactie. “Jan Decleir, Dora van der Groen, Julien Schoenaerts, die kan je legendes noemen. Maar dan stopt het in Vlaanderen wel zo’n beetje.” Legende of niet, het contact leidde tot een aangenaam gesprek met De Koninck over zijn … eh … fabelachtige, vermaarde, of gewoon boeiende carrière.
We ontmoeten De Koninck in de SintPieters-en-Pauluskerk in Mechelen. Die houdt hij geregeld open tijdens de bezoekuren, net als de zes andere historische kerken in Mechelen. De toon voor een beschouwend gesprek is meteen gezet.
“70 zijn is het nieuwe 50.”
De Koninck: “Mijn taak is om de kerk open te houden en om, als bezoekers vragen hebben, die zo goed mogelijk te beantwoorden. Maar dat is niet evident. Zo’n gebouw hee veel kunstgeschiedenis en ik kan feitelijke kennis niet meer goed uit het hoofd leren. Ik maak er mij ook niet meer moe in. Geregeld gebeurt het wel dat een bezoeker zegt: “Jij bent toch een acteur, he?” En de volgende vraag is gewoonlijk: “Hoe is de naam ook weer?” Sic transit gloria mundi, zeggen ze dan.”
Niettemin ben je toch een bekendeverschijning geworden en een klinkendenaam. Klopt het dat het voor jou begon toen je burgerdienst deed bij deBeursschouwburg?
“Het is grappig gelopen. Jari Demeulemeester, toen artistiekcoördinator van de Beursschouwburgen Mallemunt, zei: “Jij moet toch geen legerdienst doen. Waarom kom je bij ons geen burgerdienst doen?” En ik heb daar twee jaar gezeten. Maar het echte begin was voor mij de lagere school, in het tweede of derde leerjaar. Ik mocht het podium op als ‘het loze vissertje’. En ik voelde mij op mijn plaats daar. Je kan dat niet goed uitleggen als kind, maar daar voelde ik mij goed.”
“Daarna lag de focus een tijdlang elders. Mijn pa was onderwijzer en het leek logisch dat ik het ook in die richting zou zoeken. Ik ben begonnen aan de universiteit. Maar de maturiteit ontbrak mij, dus dat was geen succes. Maar ik had mij voorgenomen dat als ik ooit wou lesgeven, dat in correcte taal moest zijn. Dan ben ik dictieles gaan volgen, bij Mandus De Vos. En zo is de smaak mij ingelepeld. Toen ik de universiteit moest opgeven, heb ik thuis gevraagd of ik op het conservatorium mocht proberen. En mijn pa zei: “Het kan me niet schelen, als je maar een diploma haalt.” Vier jaar later was ik acteur.”
Vond je dan meteen werk?
“Ja, de factor geluk hee vaak meegespeeld in mijn carrière. Ik ben van het ene in het andere gerold. Mijn eerste opdracht was voor Eva Bal, die later de Kopergieterij hee opgericht, toen het Speeltheater. Dat was een improvisatietheater en was een openbaring voor mij.”
“Heel vaak maken regisseurs de vergissing uit te gaan van het idee dat wat zij verlangen, jij kan uitvoeren. Jij hebt daar de bagage voor, denken ze. Dat is niet waar. Je moet de link leggen met jezelf. Ik herinner mij een moment toen we Maria Speermalie aan het filmen waren. Tijdens een pauze kijkt Dora van der Groen mij aan en zegt: “Gij moet ne keer iets ergs meemaken.” Ik heb mij jarenlang het hoofd gebroken over wat ze daarmee bedoelde. Het komt erop neer dat jouw eigen miserie een goede grondstof is om als acteur mee aan de slag te gaan.”
“Ik heb jaren les gegeven aan het Conservatorium in Brussel, bij de musicalopleiding. Tegen die leerlingen zei ik: “Ik zou voor jullie willen zijn wie ik niet gekregen heb toen ik jullie leeftijd had.” Ik heb eigenlijk een heel slechte opleiding gehad aan het conservatorium. Wij waren bijvoorbeeld een jaar lang uitsluitend bezig met één fragment. Dat was dan nog uit Antigone van Sophocles. Ik was Kreon. Dat was: repeteren en doen, weinig opmerkingen. En de volgende keer weer. Een heel jaar lang … Daar kan je het niet mee halen.”
“Ik heb het geluk gehad dat ze daar waarschijnlijk iets in mij zagen toen ik mijn toelatingsproef deed. Mogelijk omdat ik er niet zo slecht uitzag en een aangename stem had. Ik had wel een aantal talenten, maar was geen natuurtalent. Dat moet je gaandeweg ontdekken bij jezelf.”
Die stem is wel een belangrijk onderdeel geworden van je loopbaan.
“Opnieuw heb ik veel geluk gehad toen VTM startte en ze reclamestemmen nodig hadden. Zo rolde ik opnieuw van het een naar het ander.”
Dat was oké? Er zijn ook acteurs voor wie reclame uit den boze was.
“Daar heb ik altijd wat mee moeten lachen. Dat pretentieuze van: “Ik ben acteur en reclame is beneden mijn peil…” Ik vind dat flauwekul. Maar ik heb geluk gehad. Mijn oude school heeft me eens uitgenodigd om te komen praten over mijn beroep. Ik heb daar gezegd: “Er is werk in het acteren, maar er is geen toekomst.” Dat was wel een beetje zo. Ik heb altijd werk gehad, maar heb daarom niet altijd de beste dingen kunnen doen. Uiteindelijk was die combinatie van lesgeven, zelf spelen, en mensen kunnen regisseren de goede combinatie. Ik heb soms zwarte sneeuw gezien, maar ik heb nooit in het rood gestaan.”
“Die variatie tussen acteren, stemmenwerk en lesgeven werkte wel. En ik heb meer dan 30 producties geregisseerd bij amateurs. Nu wil ik dat alleen nog doen als het stuk goed is, als de cast oké is en als er aan de technische voorwaarden kan worden voldaan. Dat is niet altijd evident bij het theater in de vrije tijd.”
“Ik heb altijd geprobeerd om niet het type regisseur te zijn dat zegt: “Voer maar uit wat ik zeg.” Ik heb altijd geprobeerd om uit te leggen waarom ik het zo wilde en hoe we daar zouden kunnen geraken. Maar dat vraagt van spelers, ook liefhebbers, inzet en huiswerk. En als ik vaststel dat je gewoon je job overdag doet en ’s avonds eventjes lollig komt doen, dan halen we het niet. Dus op dat gebied kon ik wel streng uit de hoek komen.”
“Ik heb veel chance gehad, maar een acteur blijft een selfmade man.”
Je bent afgestudeerd in 1975. Is het vak fel veranderd?
"Ja, ik heb altijd geloofd in de combinatie van traditie, een ambacht dat je hebt, en tegelijk vernieuwing. Ik heb nu de indruk dat acteurs meer theatermakers zijn, dan spel-mensen en ik vind daar mijn draai niet in. Nu spelen ze geen Tsjechov, maar spelen ze dat ze moeite hebben om Tsjechov te spelen. Dat soort van theater spreekt mij echt niet aan.”
Het lijkt minderwaardig geworden om alleen maar uitvoerder te zijn.
"Ja, en voor mij is de band die ik heb met een publiek, juist om een goedgemaakt stuk goed te brengen. Je voelt op dat vlak wel een generatiekloof. Ach, het is wat het is.”
Als je op die loopbaan terugkijkt, zijn er dan herinneringen die er bovenuit springen?
“De mooiste dingen hebben minder publiek gekend. Een van mijn mooiste ervaringen was enkele jaren geleden toen Jibbe Willems een bewerking had gemaakt van Antigone. Ik speelde daar Kreon in; toeval bestaat niet. Dat heeft misschien tien keer gelopen, verspreid over verschillende provincies. Niet veel mensen hebben dat gezien. Voor mij was het een van mijn mooiste ervaringen.”
“Uiteindelijk hee zo’n loopbaan niet alleen te maken met geluk, ook met een soort van inzet. Een acteur is een selfmade man, altijd. En als je er niet blij over nadenken en niet blij proberen, dan lukt het niet. Ik denk dat dat ook wel wat mijn redding is geweest: dat ik mijn verantwoordelijkheid heb opgenomen. Dat klinkt misschien zwaar. Maar mijn ingesteldheid was: als ik een acteur wil worden en blijven, dan moet het er een zijn die blij werken en blij schaven aan wat hij is.”
“Voor de rest haal ik Gandhi aan: “Niets van wat je doet is belangrijk, maar het is wel belangrijk dat je het doet.” Ik relativeer alles van leven en werk. Tegelijkertijd besef ik: ik heb het wel gedaan. En bijna altijd met veel goesting en zonder grote inspanningen. Misschien kan je mij aanwrijven dat ik meer ambitie moest hebben. Maar dat hoe niet. Ik ben blij met hoe het gelopen is.”
Het is waarschijnlijk omdat het je ligt, dat het niet voelt als een inspanning, want tegelijk blij¡ er wel dat schaven en werken.
“Het is zoals in het lager onderwijs. Als je goed bent in talen, dan ga je verder in die richting. Ben je minder goed in wiskunde, dan leg je je minder toe op wiskunde. Je bent dan al heel blij als je gewoon door het examen geraakt. Ik voelde mij in de lagere school al goed bij dat schooltoneel. Later ging ik optreden in het jeugdhuis als zanger van een groep. Daarna is pas het acteren gekomen. Nog zo’n voorbeeld van toeval en geluk is hoe het eigenlijk is begonnen bij mij.”
“De studie aan het conservatorium liep niet zo vlot. Maar ik kon mee figureren in een film van de toenmalige BRT, Klaaglied om Agnes. Tijdens de eerste lezing van die productie is er een moment waarop mijn medestudent aan het conservatorium Luc Springuel en ik naar elkaar kijken, omdat we allebei denken: “Die hoofdacteur bakt er niets van.” En wat blijkt: kort daarna worden we gebeld om te vragen of wij een proef willen afleggen voor die hoofdrol. Omdat Luc er minder Vlaams uitzag dan ik hebben ze uiteindelijk voor mij gekozen. En dankzij die hele periode van dat filmen en wat ik daar heb opgestoken, heb ik ook mijn laatste jaar aan het conservatorium met succes afgerond. Maar ook dat heb ik weer zelf moeten ontdekken. Daar schoot zo’n opleiding toch tekort.”
“Het toeval is blijven spelen. Vaak stelde ik vast dat ik tweede keuze was voor een rol. Maar als je een tweede keuze als kans grijpt, dan kan je er iets van maken. Heterdaad is zo’n voorbeeld. Ik heb daar lang de onderzoeksrechter gespeeld omdat de acteur die ze eerst wilden, de rol geweigerd had. Hij vond die te min. En wellicht hebben de makers toen gezegd: die Luk De Koninck loopt hier toch rond op de VRT, want ik deed toen veel radio, we zullen hem vragen. En ik heb dat gedaan, met plezier. Maar het hangt echt af van toevalligheden. En ook de goesting niet verliezen, dat is belangrijk.”
“Ik wil niet beter worden dan Jan Decleir,
ik wil gewoon een goede Luk De Koninck worden.”
Het is ook een pad met veel onzekerheid.
“Ja. Ze zegden mij destijds: “Pas op, dat is een jungle en je zal moeite hebben om aan werk te geraken.” Maar door de uitwegen die ik vond, heb ik nooit echt zonder werk gezeten. De ene keer lag het hoofdaccent op reclamespots inspreken of documentaires inlezen. Dan op lesgeven, of acteren, in films en televisie. Ik heb gewoon veel chance gehad en daar ben ik heel dankbaar voor.”
Staan er nu nog projecten in de agenda?
“Als er nu nog een aanbod zou komen van vrijetijdsgezelschappen en er wordt voldaan aan mijn voorwaarden, dan ga ik daarvoor. Het klinkt pretentieus, maar ik weet dat ik een stuk beter kan doorgronden dan een doorsnee regisseur en ik weet dat ik acteurs verder kan krijgen. Maar het kost me meer inspanning, dus ik wil er ook op letten dat het plezant blij .”
“Ik heb nog altijd het gevoel dat het beste nog moet komen. Dus ik zie wel. En ik besef ook: je beroep is een groot facet van je leven, maar als dat beroep wegvalt en je hebt niks anders, dan heb je een probleem. Ik heb gelukkig nog andere dingen. Zo geniet ik er nu van om de kerk open te houden. Mensen ontvangen, hen in de mate van het mogelijke uitleg geven als ze daarom vragen. Da’s plezant. Bovendien zit je hier in een oord van bezinning en van cultuur. Dat zijn dingen die het leven mooi maken. 70 zijn is nu het nieuwe 50. Dat zie je ook aan mensen als Jo De Meyere, Jaak Van Assche of Tuur De Weert. Die stoppen niet echt. En om terug te komen op legendes: veel acteurs hebben de ambitie om bijvoorbeeld beter te worden dan Jan Decleir. Ik wil gewoon een goede Luk De Koninck worden."
Worden?
“Ja, er is nog werk aan.”
Bekijk het volledige interview met Luk De Koninck binnenkort op DOEK!