'Celibaat' - Politika

“Een tekst zonder catharsis is een column”

 

Ik denk dat je heel weinig toneelstukken van mij kunt vinden waarin geen catharsis voorkomt. De catharsis betekent inzicht en zuivering, het is wat mij altijd aan theater interesseert, omdat literaire kracht, psychologie en de grote existentiële vragen er samen voor een ‘klik’ in een verhaal zorgen. Iemand gaat van hybris naar nederigheid en de catharsis is de wasmachine van het ene naar het andere.

 

Volgens mij kun je zoiets het beste krijgen in drama. Niet theater is de sleutel om mijn werk te begrijpen, maar drama. Daarom is dat moment van loutering ook in al mijn teksten zo essentieel. Een tekst zonder catharsis is een column. Om de zoveel tijd wordt de catharsis dan wel weer doodverklaard, toch komt ze altijd weer terug. Misschien ook wel omdat ze gelieerd is met ouder worden, met de grote inzichten die in een mensenleven voorkomen.

 

Het meest ben ik me daarvan bewust geraakt in ‘Celibaat’ (1993), mijn theaterbewerking van de roman van Gerard Walschap, dat eigenlijk drie catharsissen bevat. Het stuk gaat over André d’Hertenfeldt, de laatste telg van een groot geslacht van grootgrondbezitters en herenboeren, die alle decadentie op het Vlaamse platteland in het interbellum vertegenwoordigen. Vanbuiten is hij heel keurig conformistisch, vanbinnen is hij een monster die in het geheim dieren mishandelt. Ik liet hem over zichzelf spreken in de derde persoon, maar het was een idee van mijn dramaturg Pol Dehert om dat te keren op het moment van de eerste catharsis.

 

Voordien was hij een keurig heertje, die zelfs ingehaald wordt als burgemeester. Maar de boerendochter die hij wil huwen, kan hij niet krijgen, waarna hij haar en haar zus verlaat en naar het front vertrekt, doelbewust om te sterven. Maar als hij middenin een spervuur staat, wordt hij alleen verminkt: zijn gezicht wordt kapotgeschoten. Op dat moment dat hij opstaat, zegt hij tegen de brengers van het lot: “Hier ben ik: ik, André d’Hertenfeldt.”

 

Gewond, genezen en wel keert hij in Walschaps roman daarna terug naar het thuisfront, bij een oude vrouw die hem verzorgt en die hem naar zichzelf leert kijken. Het monster heeft zichzelf gezien. Pol zag in die scène een wedergeboorte en vond dat ik ze niet mocht schrappen. André zuigt er, tegelijk zogend kind en verkrachter-minnaar, van haar vrouwenborst. Het is dus zijn hergeboorte als kind en als man.

 

De derde catharsis vindt plaats als André de boerendochters terugziet, die allebei kaalgeschoren zijn omdat ze met de Duitsers hebben gecollaboreerd. Ook zij zijn monsterlijk geworden. Dit is het moment waarop André inziet dat de kans voorbij is. Net als de boerendochter kan hij niet meer spreken - zij door trauma, hij door verminking. Hij is een ander mens geworden.

 

In de drie catharsissen is de mond dus de levengever. Eerst wordt André niet verminkt op het front, waarna hij opstaat en zegt: ‘ik’ ben hier. Dan randt hij via de mond de oude Lucie aan, voor hem een wedergeboorte. En aan het eind is hij onverstaanbaar, maar volgt wel de aanvaarding.

 

‘Celibaat’ was ook voor mij als toneelauteur een scharnierstuk. Ik zag er het belang in van een dramaturg, maar schreef er ook voor het eerst in verzen. Zonder de vijfvoetige jamben in deze tekst zou ik ‘Ten Oorlog’ nooit aangedurfd hebben. ‘Celibaat’ was mijn toegangsexamen, ‘Ten Oorlog’ mijn universiteit.