“Ouders verlieten na ‘Derwazeens’ de zaal huilend, kinderen huppelend”

 

In mijn werk herinner ik me twee catharsissen. Er zit er eentje in ‘Derwazeens’ (2009), mijn afstudeervoorstelling aan het KASK, een stuk over de helende kracht van fantasie. Centraal in ‘Derwazeens’ staat een terminaal ziek meisje. Een jongen komt haar bezoeken en beurt haar op met verhalen over een ver land. Samen zoeken ze manieren om naar dat land te trekken, maar dat lukt altijd maar tijdelijk. Tot aan het eind: dan vliegt het meisje werkelijk weg.

 

Dat moment in de voorstelling was erg bijzonder. De volwassen kijkers begrepen dat het meisje overleden was, iets wat ik inderdaad wilde suggereren. De kinderen in de zaal, tussen zes en acht jaar, begrepen die twist vrij letterlijk: volgens hen was het meisje écht naar dat verre land gevlogen. Het beeld van hoe het publiek de zaal verliet, blijft me nog altijd bij. Huilende ouders naast huppelende kinderen. Dat vind ik interessant aan spelen voor een publiek van jong en oud: twee sporen belanden er in één gesprek.

 

‘Derwazeens’ was ook een erg persoonlijke voorstelling, zo besefte ik achteraf. Ik heb mijn vader aan kanker verloren toen ik veertien was. Het was niet echt mijn bedoeling om die ervaring in de voorstelling te schrijven, maar ze sloop er vanzelf in. Tijdens het schrijven van een tekst ben je met zoveel dingen bezig, zoals de vertaling naar de speelvloer, dat je pas na een tijdje ziet uit welke verlieservaring ze is ontstaan. Ook voor anderen maakte ‘Derwazeens’ soms moeilijke dingen bespreekbaar, zo merkte ik in de verhalen die ik nadien te horen kreeg.

 

Mijn vroege werk ging over het vinden van troost in fantasie. Later zijn mijn thema’s meer politiek geworden, en die twee strekkingen kwamen recent samen in ‘The Wetsuitman’ (2019). Hier was de catharsis een veel bewustere keuze. Het stuk grijpt terug naar een waargebeurd verhaal, waarbij in Nederland en Noorwegen twee lijken in een duikerspak worden gevonden. Hun identiteit blijft een raadsel, maar als het spoor naar een vluchtelingenkamp wijst, wordt het onderzoek gestaakt.

 

Ik schreef een uitgedachte structuur uit, waarbij ik de vier aktes telkens in een ander genre vatte. ‘The Wetsuitman’ begint als een detective, waarin ik de focus leg op de opheldering van het mysterie. Maar zoals dat gaat in detectives bouw je als toeschouwer wel sympathie op voor het slachtoffer. Wanneer het spoor naar een vluchtelingenkamp leidt, geven de onderzoekers het op, want daar kunnen ze het slachtoffer toch onmogelijk identificeren.

 

Van de detective, die iemands identiteit wil blootleggen, kom je zo als publiek onverwacht terecht in een sociaal drama, waarin niet ieders identiteit evenwaardig blijkt. De catharsis komt in de laatste akte, waarin ik die anonieme dode tot leven wil wekken en alsnog een gezicht geef. Een klein deel van het publiek bleef de voorstelling als detective lezen en zag niet echt de meerwaarde van dat slot in. Maar daar zat net de crux van de voorstelling: de abstracte verhalen over vluchtelingen worden concreet, de man die het kanaal wilde overzwemmen is net als ons iemand met een familie en dromen. Deze catharsis was misschien minder evident, maar dat was net het punt: deze ‘wetsuitman’ had recht op een identiteit.