“Toneel is het beste dat mij kon overkomen.”

 

Als veertienjarige uit een gezin dat nauwelijks boeken las, zat ik gebiologeerd in de zaal bij mijn eerste toneelvoorstelling. Wat ik daar zag, oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht op me uit. Het gaf me het gevoel dat er elke avond iets unieks, iets bijzonders kon gebeuren. Hoewel van thuis uit niet gesteund, deed ik er alles aan om op de planken te kunnen staan. Een hele uitdaging voor dat schuchtere meisje dat werd uitgelachen omdat ze stotterde. Dat was heel ongelukkig, vooral met een zus die Ca-Ca-Caroline heet.

 

Toneel was het beste dat me kon overkomen. Op een sportterrein voelde ik me zo vreselijk niét thuis, maar de planken bleken al gauw mijn biotoop. Het stotteren overwon ik en mijn zelfvertrouwen groeide. Na het schooltoneel, studententoneel en wat kleinere opvoeringen sloot ik me aan bij een echte toneelkring. Net twintig, trad ik voor het eerst op in een avondvullend stuk.

 

Vanaf toen beheerste het theater mijn leven. Een vriendje of liefje moest verdragen dat ik meermaals in de week diende te repeteren, dat ik teksten moest instuderen en dat dàt mijn prioriteit was.

 

Het theater is nog altijd mijn noodluik om te ontsnappen aan de dagelijkse sleur. Als ik op het werk of thuis problemen heb, is toneel mijn vlucht. Van zodra ik ’s avonds die voordeur achter me dichttrek en op weg ga naar een repetitie, verschuiven de problemen naar de achtergrond. Dan vergeet ik mezelf en word ik iemand anders. Ik spreek dan met woorden die de mijne niet zijn en op dat moment toch de mijne zijn. Ik ben dan even weg uit mijn eigen leven.

 

De ontdekkingsreis naar die andere vrouwen in mij vind ik enorm boeiend. Wanneer ik een nieuw personage moet brengen ga ik op onderzoek, bestudeer ik mensen op straat, hun manier van lopen en bewegen. Ik kaap een personage en word een vrouw met andere intimiteiten.

 

Ik laat toe dat het personage me overneemt, me in het dagelijkse leven vergezelt. Na de opvoeringen voel ik dan vaak hoe het personage in me weer moet sterven. Ik moet het loslaten en bij een volgend stuk opnieuw opbouwen.

 

Ook wanneer ik een stuk regisseer, speur ik overal in mijn dagelijkse leven naar mogelijkheden, iets, een situatie, een detail dat ik in het stuk kan gebruiken. Kom ik bij iemand op bezoek, dan scan ik het interieur. Misschien staat er iets wat perfect in het decor past. Zie ik een van mijn vriendinnen met een speciale rok of ander kledingstuk dat een personage perfect kan dienen, dan vraag ik meteen of ons gezelschap dat mag gebruiken.

 

Thuis verzamel ik heel veel spulletjes die we mogelijks kunnen gebruiken op het toneel: kruikflessen, speciale dozen, koffers enzovoort. Ik heb zelfs al spullen bij het groot huisvuil weggehaald omdat het op dat moment perfect bruikbaar was in een stuk. De zolder ligt vol en mijn man zegt wel eens smalend dat hij een tuinhuis voor mij gaat bijplaatsen…

 

Ik heb het eens geteld: 98 producties, met een gemiddelde van 30 repetities per stuk: dat is 2.940 repetitieavonden, iets meer dan acht jaar! En met een totaal van zo’n 380 opvoeringen heb ik alles bij elkaar al meer dan een jaar lang op de planken gestaan. Dat ik zo vaak uithuizig ben! Mijn man beweert dat hij toneelweduwnaar is en misschien klopt dat wel.

 

Opgetekend door Stefaan Deleeck