‘Faust’ - Theater-Lüneburg © Andreas Tamme

FAUST:

Ach, mooie jonkvrouw, mag ik offreren, mijn arm aan te reiken en u te escorteren.

 

MARGARETHA:

Ik ben geen jonkvrouw en niet mooi.

En ik kan gerust alleen naar huis gaan, hoor.

 

FAUST:

Mijn hemel, wat is dat kind mooi 

Zo iets, dat zag ik eerder nooit.

Ze is oprecht en deugdelijk

En zo parmantig tegelijk

Die lippen rood, en die lichte wang

Dat blijft me bij, mijn leven lang

En toen ze dan haar ogen neersloeg

Was ’t of er een golf door mijn hart heen joeg.

Maar ook heeft ze zo’n korte lont

Ik wil haar weerzien en terstond.

(Mephistoteles op)

 

FAUST:

Luister, je moet dat kind voor mij regelen!

 

MEPHISTOTELES:

Ah, welk?

 

FAUST:

Ze ging juist voorbij.

 

MEPHISTOTELES:

Nu, zonder plagen of zonder grap

Ik zeg u met dat mooie kind

Gaat het allemaal niet zo gezwind

Met felheid zullen wij niet winnen

We moeten dus een list verzinnen

 

FAUST:

Deze engelenschat wil ik regelrecht

Voer mij naar waar zij zich te rusten legt

Haal me een sjaal van haar borst

Of naar een kousenband heb ik dorst.

 

MEPHISTOTELES:

U zal zien, bij uw pijn

Wil ik behulpzaam en gedienstig zijn

Maar nu geen tijd meer aan geklets besteden

Willen wij vandaag nog haar kamer betreden